Komen en gaan in de grote stad

Komen en gaan in de grote stad

47
0
DELEN
Foto: Kaci Baum

De afgelopen jaren zijn de grote steden flink gegroeid en de verwachting is dat dit ook de komende jaren zal doorgaan. Wie er komen en gaan heeft grote invloed op de bevolking van de stad. Wat zou er gebeuren als niemand zich meer in de stad zou vestigen? Of niemand meer zou vertrekken?

Als de tendens van jongeren om naar de grote stad te verhuizen zich onverminderd voort zal zetten, of als gezinnen meer dan vroeger in de grote stad willen blijven wonen, zal de bevolking in de vier grote steden flink blijven groeien. Meer instroom van jongeren leidt tot een (nog) jongere bevolking met een groter aandeel eenpersoonshuishoudens, terwijl minder vertrek van gezinnen tot een groei zal leiden van het aantal kinderen en mensen van middelbare leeftijd, wat samengaat met een toenemende behoefte aan gezinswoningen. Ook als vestiging van jongeren en vertrek van gezinnen elkaar qua aantallen compenseren, kunnen de aantallen dus niet zomaar tegen elkaar worden weggestreept. Het maakt namelijk nogal wat uit voor de leeftijdsopbouw van de bevolking. Wij laten zien hoe verschillend vestiging en vertrek kunnen uitpakken op de toekomstige samenstelling van de grootstedelijke bevolking en de daarmee samenhangende huishoudensontwikkeling in de vier grote steden (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht).

Drie scenario’s
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verwachten in hun regionale bevolkings- en huishoudensprognose (de zogenoemde Pearl-prognose) voor de periode 2015-2040 voor de vier grote steden gezamenlijk een groei van de bevolking van 2,3 naar 2,8 miljoen (een groei van 23 procent tegen 5 procent voor de rest van Nederland). Die forse groei kent twee oorzaken. Het aantal geboorten is hoger dan het aantal overledenen en het aantal vestigers is groter dan het aantal vertrekkers. Die oorzaken hebben verschillende effecten, niet alleen op de bevolkingsgroei, maar ook op de leeftijdssamenstelling en het aantal huishoudens. Om de afzonderlijke effecten in kaart te brengen, hebben we drie extreme scenario’s doorgerekend (zie kader). In het eerste scenario hebben we berekend hoe de grootstedelijke bevolking zich de komende decennia zou ontwikkelen als er niemand meer naar de stad toe verhuist en er ook niemand meer vertrekt. De bevolkingsomvang verandert dan alleen door geboorte en sterfte en de leeftijdssamenstelling verandert doordat iedereen elk jaar ouder wordt. Het tweede scenario laat zien wat er gebeurt als er wel jaarlijks mensen naar de stad komen om zich daar te vestigen, maar mensen niet meer uit de stad zouden vertrekken. Als we dit scenario vergelijken met het eerste, zien we wat het effect van vestiging is. Het derde scenario berekent wat er gebeurt als er geen nieuwe inwoners naar de stad komen, maar mensen wel uit de stad vertrekken. Het verschil tussen dit scenario en het eerste scenario laat het effect van vertrek zien. De berekeningen van de scenario’s in dit artikel zijn gebaseerd op het saldo van vestiging en vertrek per leeftijdsgroep. In het eerste scenario bijvoorbeeld veronderstellen we niet dat helemaal niemand meer naar de stad komt en niemand meer de stad verlaat, maar dat in elke leeftijdsgroep het aantal mensen dat zich in de stad vestigt precies gelijk is aan het aantal mensen van dezelfde leeftijd dat vertrekt. In dat geval verandert dus noch de bevolkingsomvang noch de leeftijdssamenstelling als gevolg van vestiging en vertrek.

Als niemand komt of gaat
Zelfs als niemand zich meer in de grote steden zou vestigen, zou de bevolking toch blijven groeien. Als de bevolking in de vier grote steden alleen zou veranderen door geboorte en sterfte, zou de grootstedelijke bevolking tussen 2015 en 2040 toenemen met ongeveer 10 procent. Maar dan zien we wel een enorme verschuiving van het leeftijdspatroon in de grote steden: veel minder jongeren en meer ouderen (figuur 1). Doordat er geen jongeren naar de grote stad komen en er geen gezinnen vertrekken, zal het aandeel 60-plussers toenemen van 18 procent in 2015 naar 30 procent in 2040. Het aantal huishoudens van vooral 20-ers en 30-ers zal drastisch afnemen, niet doordat mensen vertrekken maar doordat ze ouder worden. Hierdoor gaat ook het totale aantal huishoudens toenemen, met 10 procent. De toename betreft vooral gezinshuishoudens en huishoudens van ouderen. Daarnaast zal er ook binnen de bestaande huishoudens een duidelijke verschuiving optreden, waarbij vooral eenpersoonshuishoudens van jongeren plaats zullen maken voor die van ouderen. Dus ook als er een einde zou komen aan de trek naar de grote steden, zal de vraag naar woningen toenemen en veranderen. Alleen als er een substantieel deel van de inwoners vertrekt, zou de huidige woningvoorraad voldoen.

Figuur 1. Het effect van wel of geen vestiging en vertrek op de bevolkingsomvang en leeftijdsopbouw in de vier grote steden in 2040 volgens drie scenario's
Als iedereen in de stad blijft wonen
Gaat de grootstedelijke bevolking de komende decennia niet alleen verder groeien door natuurlijke aanwas (het saldo van geboorte en sterfte), maar ook door vestiging van binnen- en buitenlandse migranten zonder dat er iemand uit de steden vertrekt, dan zal het aantal inwoners enorm sterk toenemen, met bijna 40 procent. Naast de daadwerkelijke vestigers zelf, zal ook het aantal geboorten nog verder toenemen doordat ook de nieuwe inwoners kinderen zullen krijgen. Aangezien vooral jongeren en jongvolwassenen naar de stad zullen trekken, heeft dit scenario een dempend effect op de vergrijzing. Omdat er echter ook niemand vertrekt, zal ook in dit scenario het aandeel 60-plussers toenemen, zij het minder dan in het natuurlijke aanwasscenario (verwacht aandeel van 24 procent in 2040). Het aantal huishoudens zal fors toenemen, maar minder hard dan de bevolking omdat dit relatief veel meerpersoonshuishoudens betreft (35 procent). Niettemin zal de vraag naar woningen enorm sterk toenemen. Dus als iedereen die naar de grote stad verhuist er ook zou willen blijven wonen, zou dat tot een explosieve stijging van de vraag naar woningen leiden.

Als niemand meer naar de stad verhuist
Komen er geen nieuwe inwoners meer naar de grote steden, maar vertrekt wel een deel van de huidige bewoners, dan gaat de grootstedelijke bevolking tot 2040 met 5 procent krimpen. In dit geval zal het aantal inwoners niet alleen afnemen doordat er mensen vertrekken, maar ook doordat er minder kinderen worden geboren. De bevolking wordt dan niet alleen kleiner, maar ook grijzer. Doordat er meer volwassenen en kinderen vertrekken dan ouderen stijgt het aandeel 60-plussers tot 32 procent. Terwijl het aantal huishoudens van ouderen nog fors zal groeien, zal het aantal huishoudens van jongeren en jongvolwassenen sterk dalen, waardoor het totaal aantal huishoudens in 2040 met 4 procent zal zijn afgenomen. Dus alleen als er zich geen nieuwe inwoners in de grote steden vestigen, maar er wel mensen vertrekken, neemt de vraag naar woningen af. Dat betekent niet dat de samenstelling van de huidige woningvoorraad voldoet. De woonwensen van ouderen zijn immers anders dan die van jongeren.

Als mensen komen en gaan
Volgens de Pearl-prognose zal het aantal huishoudens in de vier grote steden tot 2040 met 18 procent toenemen. De vraag naar woningen zal dus fors stijgen. De belangrijkste oorzaak van de groei is niet dat er steeds meer jonge mensen naar de stad verhuizen, maar dat veel mensen in de stad blijven wonen, waardoor de bevolking vergrijst. De netto groei van het aantal huishoudens bestaat vrijwel uitsluitend uit huishoudens van 60-plussers (figuur 2). Het aantal huishoudens met een hoofdbewoner van onder de zestig verandert niet veel: een lichte daling van huishoudens van jongeren wordt gecompenseerd door een lichte stijging van huishoudens van mensen tussen de 30 en 60.

Figuur 2. Percentage verandering in het aantal huishoudens in de vier grote steden per leeftijdsgroep, 2015 2040

Tot besluit
Het algemene beeld is dat de grote steden groeien door instroom van jongeren, in veel gevallen vanwege studie en werk, en dat een deel van hen later weer vertrekt in de gezinsfase, vooral vanwege voorkeur voor een andere woonomgeving. Toch komt de grootstedelijke groei van het aantal huishoudens niet zozeer van de jongeren, maar juist van de ouderen. Waar de jongeren na verloop van tijd vaak weer vertrekken blijven de ouderen massaal in de stad wonen. Ouderen verhuizen niet vaak en zeker niet naar een andere gemeente dan waar ze wonen. Natuurlijk is de trek naar de grote steden, en het vertrek eruit, niet alleen afhankelijk van de woonvoorkeuren van mensen, maar ook van het aanbod op de woningmarkt. Zouden er nog meer jongeren naar de grote steden komen als er meer betaalbare woningen waren en zouden er minder gezinnen vertrekken als er een beter passend aanbod in de stad is? Dit is mogelijk maar geenszins zeker. Recent onderzoek in verschillende steden laat zien dat het vooral de hoogopgeleide jongeren zijn die grootstedelijk willen wonen, maar dat voor de rest vooral de nabijheid en bereikbaarheid van de stad van belang zijn. Maar woon je nog steeds in de grote stad tegen de tijd dat je de 60 passeert? Dan is de kans groot dat je blijft zitten waar je zit.

Bron: nidi.nl

DELEN

LAAT EEN REACTIE ACHTER